Empirisch onderzoek is onvoldoende om transities te begrijpen

Ook in hun tweede reactie blijken Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak niet te begrijpen dat transitieonderzoek geen kweste is van voorspellen, maar theoretische concepten gebruikt om projecties van een toekomstige samenleving te maken. Kijk hier voor een overzicht van deze polemiek.

De afgelopen 15 jaar is een nieuw wetenschapsgebied ontstaan, transitiekunde, dat het fenomeen transities beter probeert te begrijpen (Grin e.a., 2010). Transities zijn ingrijpende veranderingen van (een deel) van de samenleving en complexe fenomenen die worden omgeven door veel onzekerheden. Veel kennis is inmiddels verzameld over het ontstaan van transities, succes en falen ervan en hoe ze kunnen worden beïnvloed. Je kunt zowel inductief naar transities kijken, vanuit de empirie, als deductief vanuit theorievorming en beide vinden plaats over de hele wereld.

Géén toekomstvoorspellingen, maar toekomstprojecties

Mijn invalshoek voor transitieonderzoek is de complexiteitstheorie. Deductief en exploratief onderzoek vanuit een kerntheorie over het dynamisch gedrag van transities. De complexiteit van transities is als fenomeen moeilijk in de vorm van data te vatten. Daarom zijn wij begonnen met het ontwikkelen van basisconcepten voor het dynamisch gedrag van transities in tijd en ruimte en voor de beïnvloeding ervan (Rotmans en Loorbach, 2010). Uiteraard worden die getoetst aan de hand van data. Dat is niet altijd eenvoudig, vaak zijn data op systeemniveau in geaggregeerde vorm namelijk niet beschikbaar.

We proberen patronen te identificeren die duiden op transformatieve systeemverandering (de Haan en Rotmans, 2011). Onze aandacht gaat daarbij uit naar het samenhangend web van structurele veranderingen (op macro-niveau), conjuncturele veranderingen (op meso-niveau) en evenementiële veranderingen (op micro-niveau). Via patroonidentificatie proberen we de dynamiek van transities te beschrijven en te verklaren via ketens van patronen. Deze zogenaamde transitiepaden vormen de bouwstenen voor het huidige en toekomstige gedrag van transities.

Door emergentie en co-evolutie zijn transities uiteraard niet voorspelbaar, maar we kunnen wel zinnige uitspraken doen over het te verwachten toekomstig systeemgedrag. Dit zijn geen toekomstvoorspellingen maar toekomstprojecties (verwachtingen). Dit onderdeel betreft toekomstonderzoek van één van mijn promovendi, van Asselt (2000). Om dit te verduidelijken geef ik hierbij een paar voorbeelden.

Destijds bekritiseerd klimaatmodel volop gebruikt en nog altijd nuttig

Dertig jaar geleden begon ik in Bilthoven met onderzoek naar klimaatverandering in het kader van de transitie naar een CO2-arme economie. Er waren nog nauwelijks datareeksen beschikbaar voor klimaatverandering, wel was er een broeikastheorie (op basis van Arrhenius) die aangaf dat een significante CO2-injectie de energiebalans van de aarde zou verstoren en dat er een nieuwe balans zou ontstaan bij een hogere gemiddelde temperatuur. Op basis van deze broeikastheorie en de systeemtheorie ontwikkelde ik het eerste geïntegreerde klimaatmodel ter wereld, IMAGE (Rotmans, 1990). Dit model is veelvuldig gebruikt bij de klimaatonderhandelingen en wordt nu nog steeds doorontwikkeld door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), in casu door het Planbureau voor de Leefomgeving. Heel veel toekomstprojecties zijn gemaakt met dit model op basis waarvan klimaatbeleid is ontwikkeld. Het IMAGE model is vele malen gekopieerd in het buitenland en inmiddels zijn er honderden van dit soort integrale klimaatmodellen.

Er waren toen ook critici (bijvoorbeeld mijn toenmalige directeur bij het RIVM) die zeiden dat er eerst meer empirisch onderzoek moest komen en meer meetgegevens beschikbaar moesten zijn voordat je zo’n integraal klimaatmodel kon bouwen. Bij mijn promotie in 1990 zei één van mijn commissieleden dat over 25 jaar uit empirisch onderzoek zou blijken dat ik zeer vernieuwend onderzoek had gedaan naar een niet bestaand probleem. Het tegendeel bleek waar. De toekomstprojecties waren in de goede richting en bruikbaar. Ze bleken achteraf hoogstens te conservatief. De snelheid van verandering in concentraties, temperatuur- en zeespiegelstijging was groter dan voorzien. Overigens ontstond er controverse toen meer datareeksen beschikbaar kwamen, vooral over de multipele interpretatie van de meetreeksen; dit leidt echter af van de consensus over het wezen van de door de mens geïnduceerde klimaatverandering.

Scenario-onderzoek als grondslag voor toekomstprojecties

Vijftien jaar geleden deden wij onderzoek in Maastricht naar de toekomst van Europa (Rotmans e.a., 2000). Het betrof scenario-onderzoek in de hoogtijdagen van de Europese Unie, vlak na de introductie van de euro, waarbij alles in het teken stond van de uitbreiding van de EU. Wij ontwikkelden transitiescenario’s op basis van onzekerheidsanalyses, trends, contra-trends en verrassingen. De Europese transitiescenario’s gaven aan hoe kwetsbaar Europa was voor verstoringen van allerlei aard, gezien de te smalle economisch-financiële basis als onderlegger van de EU. Eén van de mogelijke uitkomsten, destijds volledig genegeerd door de Europese Commissie, was het uiteenvallen van Europa in verschillende groepen landen met verschillende snelheden. Hoe actueel is dit beeld nu.

Het perspectivisch inkleuren van de verschillende typen onzekerheden vormde de bron van deze toekomstprojecties (Walker, Harremoes, Rotmans e.a., 2003, één van mijn meest geciteerde publicaties). Ook toen waren er critici die zich verzetten tegen deze transitiescenario’s, met trendbreuken en discontinuïteiten, die zij speculatief en verre van realistisch achtten.

Nu doen we in Rotterdam onderzoek naar de samenleving in transitie. Ook hierbij gaan we uit van het identificeren van sterke en zwakke signalen van transformatieve maatschappelijke verandering. Voor sectoren als energie, bouw en zorg en ook voor de samenleving als geheel. Empirisch onderzoek speelt hierbij zeker een rol, maar is niet doorslaggevend op complex systeemniveau. De achterliggende patronen en mechanismen zijn dat wel. De structurele verandering in de verhouding tussen overheid en burgers, de persistente weeffouten in systemen als zorg, welzijn en onderwijs, de conjunctureel doorgeschoten liberalisering, privatisering en marktwerking, en opkomende niches van zelf- en samenredzame burgers in combinatie met schaalverkleining en lokalisering zijn belangrijke signalen van een samenleving in transitie.

Geen blauwdruk, maar inspirerend vergezicht

Wij doen, in tegenstelling tot wat Tonkens en Duyvendak beweren, geen enkele voorspelling over hoe de samenleving er in de toekomst uit ziet. Geen blauwdruk, wel een toekomstverkenning hoe die nieuwe samenleving er uit zou kunnen zien, als inspirerend vergezicht. Dus niet ‘zo wordt het’, maar ‘zo zou het kunnen’ (Rotmans, 2012). Vanuit zo’n strategisch vergezicht deduceren wij welke transitiepaden mogelijk zijn als verbinding tussen toekomst en heden. Ook nu weer waren er bij de start critici die transitieonderzoek een hype noemden, die het begrip transitie modieus vonden en pleitten voor meer empirisch onderzoek. Gelukkig heeft 15 jaar transitieonderzoek een schatkamer aan kennis opgeleverd, onder meer in de vorm van een wetenschappelijke boekenserie onder leiding van Johan Schot.

Veel transities mislukken vanuit vooropgezette bedoelingen, zo blijkt uit historisch onderzoek van Schot c.s. (Geels en Schot, 2010). Als ze echter lukken, dan komt de samenleving (of een deel ervan) op een hoger complexiteitsniveau, in de zin dat het nieuwe systeem beter is aangepast en toegerust voor de hogere eisen die de omgeving van het systeem stelt. In complexiteitstermen duiden wij dat als op een hoger evolutionair niveau komen, iets wat door Tonkens en Duyvendak totaal verkeerd is begrepen. Zo is het huidige energiesysteem in transitie, een proces dat wij al geruime tijd volgen en begeleiden. Het nieuwe energiesysteem zal fundamenteel anders zijn dan het huidige, niet centraal maar decentraal, niet fossiel maar schoon, vanuit een cascade van gekoppelde schaalniveaus, van huis, buurt, wijk, stad naar regio en nationaal. Hoe dit er echter precies uit komt te zien, weet niemand. Dat vereist zoeken, leren en experimenteren en een vorm van transitiesturing (Loorbach, 2007; 2014). Hetzelfde geldt voor het zorgsysteem in Nederland. Ook hier zijn er evidente tekenen van een systeem in transitie, maar is de toekomst ongewis. Het gaat dus niet om het voorspellen van de toekomst, maar om het maken van een afgewogen inschatting van mogelijke toekomsten en hoe daar op in te spelen.

Empirisch onderzoek alleen is ontoereikend

Kortom, complexe fenomenen als transities vragen om een diversiteit aan wetenschappelijk onderzoek. Hierbij is empirisch onderzoek nuttig en nodig, maar verre van toereikend. Deductief, exploratief, theoretisch onderzoek naar transities is minstens zo belangrijk. Dat ik niet alleen de transformatieve verandering onderzoek – in de wetenschappelijke arena – maar ook actief probeer te beïnvloeden – in de maatschappelijke arena – is wennen voor klassieke wetenschappers. En al gebruik ik als maatschappelijk veranderaar ander jargon en andere middelen dan als onderzoekende wetenschapper, toch is het één met het ander verweven. In het Engels bestaat daar een mooi woord voor: scientivist. Een rolmodel dat velen van de nieuwe generatie wetenschappers in de toekomst hopelijk past.

Jan Rotmans is hoogleraar Transitiekunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en oprichter van DRIFT, het wetenschappelijk onderzoeksinstituut naar transities.

Referenties
De Haan, H. and Rotmans, J. (2011), ‘Patterns in transitions: understanding complex chains of change’, Technological Forecasting and Social Change, vol. 78, no. 1, 90-102.

Geels, F.W. en Schot, J. ‘The dynamics of transitions: a socio-technical perspective’, in Grin et al. (2010), Routledge Publishers, UK.

Grin, J. Grin, J., Rotmans, J. and Schot, J. (2010). Transitions towards sustainable development, KSI-book series part I, Routledge Publishers, UK.

Loorbach, D. (2007), ‘Transition Management: new mode of governance for sustainable development’, Proefschrift, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Loorbach, D. (2014), To Transition! Governance Panarchy in the New Transformation, Oratie, 31 Oktober 2014, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Rotmans, J. (1990). ‘IMAGE: an Integrated Model to Assess the Greenhouse Effect’, Book, ISBN 0-7923-0957-X, Kluwer Academic Publishers, Dordrecht, The Netherlands.

Rotmans, J., Anastasi, C., van Asselt, M.B.A., Greeuw, S., Mellors, J., Peters, S., Rothman, D. (2000), ‘VISIONS for a Sustainable Europe’, Futures 32, 809-831.

Rotmans, J. (2012). In het oog van de orkaan; Nederland in transitie. Uitgeverij Aeneas, Boxtel.

Rotmans, J. and Loorbach, D. (2009), ‘Complexity and Transition Management’, Journal of Industrial Ecology, vol. 13, no.2, 184-196, Special Issue on Complexity and Industrial Ecology.

Rotmans, J. and Loorbach, D. (2010), ‘Towards a better understanding of transitions and their governance: a systemic and reflexive approach’, Part II in

Van Asselt, M.B.A. (2000), ‘Perspectives on uncertainty and risk’, Kluwer Academic Publishers.

Walker, W.E., Harremoes, P., Rotmans, J., van der Sluijs, J.P., van Asselt, M.B.A., Janssen, P and Krayer van Krauss, M.P. (2003), ‘Defining Uncertainty: a conceptual basis for uncertainty management in model-based decision support’, Integrated Assessment 4, no. 1, 5-17.