In het onderwijs zijn mens en systeem van elkaar vervreemd door een machtige, almaar groeiende managementlaag, constateert columnist Jan Rotmans. Een structuur die doorbroken moet worden door diep ingrijpen. Zodat leren én lesgeven weer kunnen terugkeren naar de kern: persoonsgerichte ontwikkeling in plaats van collectief kennis stampen in een toetsingsfabriek.

Het studentenprotest dat nu om zich heen grijpt verzet zich tegen het dominante rendementsdenken. Dit is echter slechts het topje van de onderwijsijsberg, het echte probleem zit veel dieper. Ik zal proberen dit snel groeiende studentenprotest in een bredere context te plaatsen. Daarbij beschouw ik het onderwijssysteem als geheel. Uiteraard bestaat dat uit een aantal onderdelen, maar de overeenkomsten tussen de onderdelen zijn groter dan de verschillen.

Het onderwijs zoals we dat nu kennen is het product van decennia lang onderwijsvernieuwing. Sinds de invoering van de Mammoetwet in 1968 is er een continue stroom van vernieuwingen en hervormingen geweest binnen alle onderdelen van het onderwijsveld.

Uitdijende kleilaag

Wat dit vooral heeft opgeleverd is semi-permanente onrust, chaos en frustratie. Het heeft ook geresulteerd in een grote ‘kleilaag’ in het onderwijs die al die veranderingen probeert aan te sturen. Deze kleilaag bestond uit duizenden mensen die deze veranderingen moesten organiseren, uitvoeren en controleren: managers, ambtenaren, planners, onderwijsdeskundigen, onderzoekers en consultants. Zij hadden baat bij deze onderwijsvernieuwingen en zo werd de vernieuwing zelf  geïnstitutionaliseerd. Dat ging weer ten koste van de leraren en leerlingen.

MANAGERS, AMBTENAREN, PLANNERS, ONDERWIJS-DESKUNDIGEN, ONDERZOEKERS EN CONSULTANTS HADDEN BAAT BIJ DE ONDERWIJS-VERNIEUWINGEN, ZO WERD DE VERNIEUWING ZELF GEÏNSTITUTIONALISEERD

De leraren kregen steeds minder te vertellen over de opzet en inrichting van hun vak, en de leerlingen werden slachtoffer van de vernieuwingsdrang in het onderwijsveld. Zo werd de onderwijskleilaag groter en machtiger en kregen docenten en schoolbestuurders steeds minder te vertellen.

De onderwijswereld kwam in de houdgreep van de kleilaag, die stuurde vanuit controle en beheersing, waardoor een enorme bureaucratie ontstond. Zo werd het onderwijs steeds meer gestandaardiseerd, onderwijsinstellingen moesten fuseren om op grotere schaal nog efficiënter te kunnen opereren. Scholen werden ondernemingen die met elkaar moesten concurreren en ze prezen zichzelf aan als wasmiddelen.

We zitten nu opgescheept met grote onderwijsinstellingen die zijn verzakelijkt en die een ‘onderwijsproduct’ leveren dat door ‘onderwijsklanten’ wordt afgenomen. De nadruk ligt steeds minder op vakinhoudelijk en goed onderwijs door goed opgeleide leraren en steeds meer op efficiënte opleidingen met een hoog rendement. Onderwijsinstellingen zijn diplomafabrieken geworden. Veel leraren zitten klem in deze fabrieken, met een relatief laag salaris, weinig speelruimte, verminderd aanzien en hoge werkdruk.

De harde conclusie is dat alle onderwijsvernieuwingen ten spijt het niet is gelukt om een onderwijssysteem te creëren dat stabiel functioneert en waar iedereen zich prettig bij voelt. Het onderwijssysteem dat we nu hebben sluit onvoldoende aan bij de steeds hogere eisen die de economie en samenleving stellen (WRR, 2013). Die zijn namelijk in transitie en veranderen sneller en fundamenteler dan het huidige onderwijs aankan.

Onderwijsprobleem is structureel

Beschouwen we de persistentie van het onderwijsprobleem op systeemniveau dan zien we een cultuur- en structuurprobleem. Wat allereerst opvalt is de kramp waarin het onderwijssysteem zich bevindt. Er staat enorm veel druk op alles en iedereen, op scholen, op leraren en op leerlingen. Er is sprake van dwang en drang, vanwege de tuchtiging van de toetsing. Alles, maar dan ook alles wordt gemeten en getoetst, om aan de opgelegde norm te voldoen. Scholen moeten presteren, anders gaat dat ten koste van hun reputatie en krijgen ze minder leerlingen.

Leerlingen moeten presteren anders vallen ze buiten de boot en schaadt dat hun maatschappelijke carrière. En docenten moeten presteren in een lastige omgeving met dwingende lesmethoden, weinig ruimte voor eigen initiatief, te midden van mondige leerlingen en veeleisende ouders. Ouders eisen prestaties, van de school en van hun eigen kinderen en staan bij het minste of geringste klaar om hun ongenoegen te uiten.

Falen is geen optie

Kortom, iedereen eist van alles en iedereen moet presteren, falen is geen optie. Dit is diep geworteld in de structuur en cultuur van het onderwijs. De structuur van het onderwijs is hiërarchisch, bureaucratisch en verkokerd. De verkokering in het onderwijs is tot in het extreme doorgevoerd, overal zijn eilandjes zonder veel verbindingen: klassen, secties, afdelingen, faculteiten, vakgroepen, onderzoeksgroepen en onderwijsgroepen.

DE HUIDIGE STRUCTUUR IS NOG STEEDS NIET GERICHT OP DE LEERLING, MAAR DATEERT NOG UIT DE TWEEDE HELFT VAN DE NEGENTIENDE EEUW

Dit gebrek aan verbinding zien we op alle niveaus in het onderwijs. De huidige structuur is nog steeds niet gericht op de leerling, maar dateert nog uit de tweede helft van de negentiende eeuw.

Er zijn sindsdien wel aanpassingen geweest (zoals de invoering van de teamstructuur), maar geen werkelijk grote veranderingen. Deze eilandstructuur wordt aangestuurd door een machtig en complex onderwijsregime. Dit regime is een machtig bolwerk met een dominante rol voor de onderwijsinspectie en het ministerie van OCW. Niet te onderschatten zijn ook de rollen van de onderwijsraad, brancheorganisaties, onderwijsbonden, onderwijsorganisaties, besturenorganisaties, lerarenopleidingen en bovenbestuurlijke samenwerkingsverbanden. De onderwijswereld is drukbevolkt en overgeorganiseerd en dat maakt die wereld stabiel en degelijk, maar ook star en weinig wendbaar.

De cultuur in het onderwijsveld is behoorlijk naar binnen gericht. Het is een tamelijk gesloten wereld, waardoor er betrekkelijk weinig structurele contacten zijn met andere werelden, zoals het bedrijfsleven, zorg en welzijn. Er is weinig ruimte voor leraren voor hun eigen professionele ontwikkeling, daarentegen zijn veel leraren ook niet echt ambitieus en benutten ze de ontwikkelruimte die er wel is ook niet. Er is ook niet echt een ontwikkelingsperspectief voor leraren, ze kunnen niet echt opklimmen binnen het onderwijs. Maar ook de leerlingen zijn onvoldoende gemotiveerd, zo blijkt uit een onderzoek van de Onderwijsinspectie. De motivatie en het leerplezier van Nederlandse leerlingen blijven achter in vergelijking met andere landen.

Onvrede breed gedeeld

De cultuur is dus eerder verlammend dan stimulerend, bepaald geen verandercultuur, en wordt gekenmerkt door loyaliteit. Veel leraren en leidinggevenden zijn loyaal aan het onderwijs en zullen niet snel in verzet komen. Nationaal onderzoek toont aan dat bijna 60 procent van de leraren het klimaat op school demotiverend vindt en dat zij onvoldoende uitdaging en waardering ervaren en dat slechts 18 procent van de ondervraagde docenten het werkklimaat op school motiverend en stimulerend vindt. De onvrede zit dus blijkbaar diep en wordt breed gedeeld onder docenten. Toch is staken not done in onderwijskringen, uitzonderingen als in 2012 daargelaten, ook omdat velen werken voor een hoger doel, een betere samenleving.

De werkwijze in het onderwijs kenmerkt zich door efficiëntie en effectiviteit. Er wordt resultaatgericht gewerkt vanuit vooropgezette doelstellingen en normen. Deze worden steeds meer getoetst, vanuit de wens om de kwaliteit te verhogen. Wat echter die kwaliteit inhoudt, daarover gaat het eigenlijk zelden of nooit.

DE TOETSINGSTUCHTIGING IS VEEL TE VER DOORGESLAGEN EN IS VERHEVEN VAN MIDDEL TOT DOEL

De toetsingstuchtiging is veel te ver doorgeslagen en is verheven van middel tot doel. De sfeer is daarmee sterk verzakelijkt en de nadruk ligt nog meer op het systeem dan op het individu. Deze werkwijze is nog steeds verbazingwekkend traditioneel en is gericht op vakken, die klassikaal worden behandeld.

We leggen nog altijd de nadruk op disciplineren en afleren, niet op het ontwikkelen van iemands talenten. Nog steeds na al die decennia geen persoonsgerichte ontwikkeling, maar collectief leren. De leerling staat dus niet centraal, maar de organisatie, in dit geval de school. Er zijn gelukkig ook scholen die persoonsgerichte ontwikkeling van leerlingen wel centraal stellen, maar dit zijn helaas nog uitzonderingen.

Nieuwe uitgangspunten gevraagd

Kortom, in het Nederlandse onderwijs staan leraren en leerlingen in dienst van een diepgewortelde structuur. De oplossing zit dus vooral niet in meer geld, want dat gaat vooral naar de organisatie (structuur) en niet naar de mensen. Mens en systeem zijn dus van elkaar vervreemd, er is sprake van verbroken verbindingen. Waar de leraar kennis wil overdragen vanuit zijn of haar passie en bezieling, is dit in de praktijk verworden tot de overdracht van kennis van een onderwijsproducent aan een onderwijsconsument op basis van doelmatigheid, efficiency en een opgelegde onderwijsmethodiek. 

Het onderwijs is dus ver afgedreven van de kern en dat vraagt om een ingrijpende verandering. Een transitie van bureaucratisch naar flexibel, van zakelijk naar menselijk, van gestandaardiseerd naar divers, van verstard naar ruimte biedend en van rendement naar kwaliteit. Dat vraagt om nieuwe uitgangspunten vanuit een nieuwe oriëntatie. Daar gaan vele jaren overheen.

Hoe goed bedoeld ook, ‘weg met het rendementsdenken’ is een loze kreet als het onderwijsprobleem niet bij de wortel wordt aangepakt. Want het rendementsdenken is onderdeel van een cultuur, structuur en werkwijze die dient te worden open gebroken. Over hoe dat kan een volgende keer.