‘ Op weg naar energieleverende gebouwen’ Professor Jan Rotmans over energieontwikkeling in kantoren '

 

’Een energiebedrijf is van oudsher gericht op zoveel mogelijk energie leveren, maar in de toekomst is de vraag juist gericht op het leveren van zo weinig mogelijk energie. De klant wil dat het energiebedrijf hem daarbij helpt. Dat vraagt om een ander verdienmodel.’ FMI sprak met professor Jan Rotmans over de trends en ontwikkelingen op het gebied van energievoorziening in kantoren ' 

Erik Ernst

Op de woningmarkt is een grote transitie gaande op het gebied van energievoorzieningen. De Green Deal Stroomversnelling (zie kader) waarbij ruim honderdduizend huishoudens energieneutraal omgebouwd zullen worden, is daar een mooi voorbeeld van. Jan Rotmans – ook wel friskijker en dwarsdenker genoemd – is professor aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Hij heeft ruim tweehonderd publicaties op het gebied van klimaatverandering, duurzame transities en systeeminnovaties op zijn naam staan en is adviseur van de Verenigde Naties, de OESO en de Nederlandse regering. Rotmans: ‘Op dit moment investeren we, onder druk van de Europese wetgeving, in het energiezuinig maken van gebouwen. De uitdaging zit in het energieneutraal maken van bestaande gebouwen. Voor nieuw te bouwen kantoren wordt energieneutraliteit het uitgangspunt. Vervolgens gaan we op weg naar energieleverende gebouwen. Daar ben ik van overtuigd. Het is een kwestie van tijd, zeker bij nieuwbouw, dat we elk nieuw gebouw tot een leverancier gaan maken van energie aan de directe omgeving.’ Hybride gebouwen Rotmans benoemt vijf trends:

1. Van energiezuinig naar energieneutraal en van energieneutraal naar energieleverend voor de komende tien tot vijftien jaar.

2. Interactie met de omgeving. Energie wordt steeds meer onderdeel van gebiedsontwikkeling waarbij gekeken wordt naar een energieplan voor de totale omgeving. Een mooi voorbeeld is Amsterdam Arena waarbij Ajax energie kan leveren aan alle gebouwen in de omgeving, waaronder het AMC. En andersom zijn er mogelijkheden om overtollige energie vanuit de gebouwen in de omgeving aan het stadion terug te leveren.

3. Andere grondstoffen en materialen om de gebouwen te bouwen of te verbouwen. Er valt nog een heleboel winst te behalen wat betreft de grondstoffen en materialen als het gaat om energiebesparende bouw. 

4. Transformatie: bestaande gebouwen transformeren en renoveren tot heel andere gebouwen. Alleen in Rotterdam al staat een derde deel van alle kantoorcomplexen leeg. Die gebouwen moeten voor een groot deel klantgeschikt worden getransformeerd, soms met heel andere functies dan een kantoorgebouw, soms als een veel beter aansluitend gebouw voor de nieuwe kantoorwerker.

5. Het kantoordenken van tien tot twintig jaar geleden waarbij een gebouw werd neergezet met als doel kantoor, gaat volledig op de schop.

Rotmans: ‘Het idee dat je een gebouw neerzet voor één doelgroep voor de komende vijftig jaar, is in deze tijd absurd. Dat is heel statisch gedacht; één doelgroep, één functie en één gebouw. Voor de toekomst zie ik steeds meer hybride combinaties tussen werk- en leefomgeving waarin de kantoorwerker zich veel meer thuis gaat voelen, want werk en privé worden steeds minder gescheiden.’ Verder worden vaste banen flexibeler en worden kantoorgebouwen anders gebruikt door het acitiviteitgerelateerd werken. ‘Ook zie je dat meer bedrijven zich bij scholen/campussen gaan vestigen vanwege de aanwezige andere bedrijven en studenten en het idee van leren, werken en ondernemen. Leerlingen zitten in de buurt van potentiële stageplekken en bedrijven zitten dicht bij studenten.’

Robots

Disruptieve innovaties zijn innovaties die een bestaande markt op zijn kop zetten, waardoor er in feite een geheel nieuwe markt ontstaat. Rotmans: ‘Door dit soort innovaties gaan we meer werken met robots waarbij de processen waar nu nog mensen voor nodig zijn, overgenomen worden door robots. Naast de daarbij ontstane werkgelegenheid om die robots te maken, is dit – in het licht van de vergrijzing – een noodzakelijke stap. Door vergrijzing en ontgroening moet in de toekomst een derde van de mensen het geld verdienen voor twee derde van de ouderen. Dat betekent dat iedereen inzetbaar moet zijn om dat geld collectief te kunnen ophoesten. Ik ben daar overigens positief over gestemd. ‘Wat je verder krijgt, en dat is ook gelijk het paradoxale, is dat we mensen opleiden voor een beroep, terwijl de helft van die beroepen over tien of vijftien jaar niet meer bestaat. Andersom geldt dat ook; de beroepen die er dan zijn, bestaan nu nog niet, dus is het lastig om daarvoor op te leiden waardoor de relatie tussen de opleiding en het uiteindelijke beroep steeds zwakker wordt. We moeten daarom mensen gaan opleiden op een manier zodat ze allerlei kanten op kunnen; beroepsgericht opleiden wordt steeds lastiger. ‘Een andere leuke ontwikkeling is dat er steeds meer vrouwen aan de top komen waardoor we die vrouwelijke invloeden terug gaan zien binnen organisaties. Verder worden de bedrijven steeds kleinschaliger waardoor de grote bedrijven worden opgeknipt in kleine eenheden en zelfsturend worden. Daardoor verandert de organisatie van grote bedrijven fundamenteel. ‘Steeds meer kleine bedrijven zullen elkaar gaan aanvullen, en gebouwen worden gekoppeld aan meerdere gebruikers. Die bewonersgroepen bestaan uit combinaties van kleine flexibele bedrijven die op diverse manieren complementair aan elkaar zijn. Zo kan het ook zijn dat een kleine facilitair dienstverlener in zo’n bedrijfsverzamelpand trekt en het facility management voor dat pand op zich neemt voor heel uiteenlopende andere kleinschalige bedrijfjes. De bewoners van deze nieuw kantooromgevingen vullen elkaar aan en zijn niet afhankelijk van grote – bijvoorbeeld facilitaire – dienstverleners. “Klein is het nieuwe groot”, geldt bij dit soort nieuwe constructies.’

 

Europese wet- en regelgeving

Eén norm is heilig en dat is de Europese wetgeving die aangeeft dat alle nieuw te bouwen gebouwen vanaf 2020 energieneutraal moeten zijn. Rotmans: ‘Dat lijkt ver weg, maar over vijf jaar is dat gewoon wetgeving en dat betekent dat het sanctioneel beleid is waarbij boetes gaan zorgen voor handhaving van deze wetgeving. ‘Voor nieuw te bouwen complexen is het vrij eenvoudig om energieneutraal te bouwen; voor de te renoveren gebouwen kun je het energieneutraal maken van gebouwen vergelijken met de woningmarkt; driekwart komt uit energiebesparing zoals slimmer beheer van apparaten, isolatie en de vraag naar energie met zeventig tot tachtig procent terugdringen; een kwart bestaat uit alternatieve, schone energiebronnen. Daarbij valt dan te denken aan warmtepompen, zonnepanelen, windmolens, restwarmtegebruik en warmte- en koudeopslagmogelijkheden. Duidelijk is dat energieneutraal dus niet alleen over alternatieve energiebronnen gaat, maar juist ook over energiebesparende maatregelen.’

Kanteling ‘Een rechtstreeks gevolg van de crisis is dat we te kampen hebben met een enorme leegstand van kantoorgebouwen’, gaat Rotmans verder. ‘Die leegstand heeft een structureel karakter en werkt nog wel even door. Daar waar we de afgelopen zestig jaar gebouwd hebben voor zeven miljoen mensen, gaan we dat de komende zestig jaar doen voor zevenhonderdduizend mensen. Dan hebben we het over woningen, kantoren, bedrijfsterreinen, wegen en infrastructuur. ‘Om die verandering van vraag te kunnen managen hebben we een forse kanteling van het gedachtegoed van bouwen nodig, waarbij we ons moeten richten op het transformeren en renoveren van bestaande gebouwen naar multifunctionele gebouwen met andere doelgroepen. Juist de crisis is een drijvende kracht om duurzaam te gaan denken en doen, en dwingt ons ertoe om slimmer om te gaan met wat we hebben. Minder nieuwbouw en meer renovaties en transformatie van gebouwen voor nieuwe doelgroepen en nieuwe gebruikers.’ Op de vraag welke veranderingen dit met zich meebrengt voor bedrijven die zich bezighouden met bouw, verbouw, onderhoud en beheer, antwoordt Rotmans: ‘De verdienmodellen van bedrijven staan aan de vooravond van een grote kanteling. Bij een bouwbedrijf bijvoorbeeld is het verdienmodel volledig gericht op bouwen, maar dat verandert zodra het bouwbedrijf zich steeds meer moet bezighouden met renovatie en transformatie van gebouwen; waarbij het verdienmodel juist gericht is op het faciliteren van de klant in bijvoorbeeld energievoorzieningen en telecomvoorzieningen. ‘Een ander voorbeeld is een energiebedrijf dat vroeger zoveel mogelijk energie wilde leveren; in de toekomst is de vraag juist gericht op het leveren van zo weinig mogelijk energie en vraagt de klant aan het energiebedrijf om hem daar juist mee te helpen. Het verdienmodel zal dan komen te liggen in de energiebesparende maatregelen die het energiebedrijf kan leveren. Die veranderende omstandigheid vraagt ook om andere medewerkers. We zitten nu midden in die transitiefase waarbij de verdienmodellen van bedrijven volledig aan het kantelen zijn.’ Circulaire economie De veranderende omstandigheid waarin de bouwsector zich bevindt, brengen ook ontwikkelingen met zich mee op het circulair economische vlak. Rotmans noemt daarbij enkele voorbeelden: ‘Zowel bij nieuwe gebouwen als bij renovatie en transformaties van bestaande gebouwen voeren we allerlei duurzame oplossingen door zoals het opvangen van regenwater voor het grijswatercircuit. ‘Een ander voorbeeld is het gebruik van Maaswater als koelwater bij gebouwen in Rotterdam die aan de Maas staan. Ook in de dagelijkse gang van zaken proberen we steeds om minder belasting van het milieu te vragen; door verregaande digitalisering gebruiken we aanmerkelijk minder papier. Een ander fenomeen is de deeleconomie waarbij bezit steeds minder belangrijk is en waarbij de producent de beheerder wordt van grondstoffen, bijvoorbeeld bij vloerbedekking, verlichting en kantoormeubilair. We hebben straks geen lampen meer nodig, maar verlichting. Ook hier staan we aan de vooravond van een enorme kanteling die veel verder gaat dan alleen de kantooromgeving.’

 

Bron: FMI 22ste jaargang, nummer 2 2015