www.sociale vraagstukken.nl
Hoogleraar Transitiekunde Jan Rotmans weerspreekt de kritiek van de sociologen Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak: de kantelende samenleving is geen wensdroom maar een empirische werkelijkheid. Rotmans nodigt hen tot een uitstapje.

 Blijkbaar raakte ik een gevoelige snaar bij Evelien Tonkens en Jan-Willem Duyvendak met mijn artikel ‘Nederland Kantelt ondanks of dankzij de scepsis’. Als door een adder gebeten, reageerden zij vooral op mij als persoon in hun artikel ‘Graag meer empirische en minder eufore kijk op burgerinitiatieven’, dat bol staat van de persoonlijke diskwalificaties. Laat ik mij niet tot dat niveau verlagen en me beperken tot een inhoudelijk reactie rondom drie thema’s: de groei van het aantal burgerinitiatieven; de aard van de burgerinitiatieven; en de kanteling van de samenleving.

Aantal burgerinitiatieven groeit snel

Hoeveel burgerinitiatieven er in Nederland zijn, weet niemand. Het is ook vrijwel onmogelijk om dat in kaart te brengen, daarvoor is de diversiteit simpelweg te groot. Ze bestrijken vrijwel alle maatschappelijke terreinen, van zorg tot welzijn, van energie tot mobiliteit, van voedsel tot bouw, van veiligheid tot integratie en van cultuur tot onderwijs en financiën. Er is op nationaal niveau nog maar weinig kwantitatief empirisch onderzoek naar gedaan. Ook niet door het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP), de bron van Tonkens en Duyvendak. Het SCP-rapport Burgermacht op eigen kracht is een weergave van empirisch onderzoek in slechts 5 gemeenten (en bepaald niet de koplopers, zie Rotmans, 2012 en 2014).

In tegenstelling tot wat Tonkens en Duyvendak beweren, constateert overigens ook het SCP een toename in het aantal mensen dat zich inzet voor eigen buurt of gemeente. Uitzondering is het onderzoek van Tine de Moor, die historisch onderzoek doet naar burgercollectieven en daarin zelfs 1000 jaar terug gaat. Zij onderzoekt echter alleen formele burgerinitiatieven in de vorm van burgercoöperaties, slechts het topje van de ijsberg van veelal informele burgerinitiatieven. Niettemin signaleert ook zij een explosie van burgercollectieven gedurende de laatste 10 jaar, zie onderstaande grafiek (2013 en 2014 zijn nog niet eens verwerkt):

ontwikkeling van het aantal nieuwe burgercoöperaties (de Moor, 2013)
Figuur: ontwikkeling van het aantal nieuwe burgercoöperaties (de Moor, 2013)

Observaties over de ‘echte wereld’ zijn belangrijker dan formele metingen

Veel belangrijker dan deze formele ‘metingen’, vanuit het achterhaalde paradigma ‘meten is weten’ is de observatie wat er allemaal onder de onderzoekradar gebeurt in de ‘echte wereld’. Het gaat niet alleen om het aantal burgerinitiatieven, maar vooral om de maatschappelijke impact en doorwerking ervan.

De afgelopen 10 jaar ben ik op honderden plaatsen geweest en daar heb ik vrijwel overal een forse toename van burgerinitiatieven gezien. Een kort overzicht leert dat het aantal lokale energie initiatieven de laatste 5 jaar razendsnel is gegroeid (e-decentraal,hieropgewekt.nl); dat in diezelfde periode meer dan 90 lokale zorgcoöperaties zijn opgericht (Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg) en dat Nederland thans meer dan 100 broodfondsen telt (in 59 plaatsen met 3500 deelnemers) en nog eens 20 in oprichting. En dan moet je je bedenken dat het eerste broodfonds pas in 2006 is opgericht.

Het gaat daarbij niet zozeer om gewiekste ondernemers die nieuwe markten zien, zoals Tonkens en Duyvendak beweren, maar vooral om gemotiveerde burgers die zich zorgen maken over de perverse effecten van de efficiency-samenleving (Rotmans, 2014).

Nog belangrijker is wat de zogenaamde broedplaatsen van burgerinitiatieven signaleren. Fysieke broedplaatsen zoals Pakhuis de Zwijger in Amsterdam en Seats2Meet in Utrecht worden dagelijks overspoeld door maatschappelijke entrepreneurs. Verder zijn er virtuele broedplaatsen zoals Nudge, een 5 jaar geleden opgericht digitaal platform dat initiatieven van onderaf ondersteunt en al 38 duizend nudgers kent (www.nudge.nl) en het onlangs opgerichte platform ‘Nederland Kantelt’ (www.nederlandkantelt.nl). Deze broedplaatsen signalen een snel om zich heen grijpende nieuwe orde van entrepreneurs die het anders willen en kunnen en die zelf in groepen aan de slag gaan met een nieuw Nederland. Tonkens en Duyvendak hebben kijk op de breedte noch op de diepte (maatschappelijke doorwerking) van de initiatieven van onderop.

Meeste burgerinitiatieven worden juíst niet door overheid geïnitieerd

Tonkens en Duyvendak beweren dat de meeste burgerinitiatieven niet door burgers, maar door de overheid zijn geïnitieerd. Bovendien beweren zij dat het hier vooral gaat om nooddruftige, quasi-zielige zzp-ers die deze projecten dragen. Beide beweringen zijn aantoonbaar onjuist en het gevolg van de overheidsbril die Tonkens en Duyvendak nog steeds op hebben. Alle initiatieven die ik ken, waar ik direct of indirect bij betrokken ben en de laatste jaren beschreven heb, zijn door burgers zelf geïnitieerd. Daarom noemen we het ook initiatieven van onderop, om het contrast te schetsen met de overheidsinitiatieven van bovenaf. Uiteraard zijn er mengvormen en uiteraard zijn burgers soms ook ondernemers of zelfs ambtenaren, maar het gaat er vooral om wie het initiatief neemt en wie het uitvoert.

Dat eigen (burger-) initiatief wordt onderstreept door het beperkte onderzoek dat hierover beschikbaar is. Zo heeft de Provincie Overijssel onderzoek laten doen naar burgerinitiatieven in Overijssel, uitgevoerd door de Universiteit Twente (Denters e.a., 2013). Uit dit onderzoek naar 134 burgerinitiatieven in 22 gemeenten (volgens verbinder en expert burgerinitiatieven Ferenc van Damme van de Provincie Overijssel vormen zij slechts een fractie van de paar duizend die er zijn) bleek het volgende:

  • Het ging vooral om activiteiten in de directe leefomgeving, gericht op het in stand houden of verbeteren van de fysieke en sociale kwaliteit;
  • In vrijwel alle gevallen namen burgers zelf het initiatief. Soms werden zij gevraagd door een overheidsinstantie, maar dan nog werden de initiatieven door burgers zelf uitgevoerd;
  • 16 procent van de Overijsselse burgers van 18 jaar of ouder was actief in burgerinitiatieven. Dit waren burgers uit alle geledingen van de samenleving. Daarbij laten ze zich leiden door allerlei motieven, van goed ‘noaberschap’ tot het oplossen van maatschappelijke problemen;
  • In veel gevallen werd ondersteuning aangeboden door de overheid zonder dat burgers daarom hadden gevraagd. Met name bij de materiële ondersteuning en advisering door de gemeente werd die steun door burgers niet echt nodig geacht;
  • Initiatief nemende burgers liepen vaak tegen barrières aan, zowel procedurele, procesmatige als beleidsmatige drempels. Vooral de traagheid van het gemeentelijk apparaat en het gebrek aan flexibiliteit wekten ergernis op;
  • Veel burgerinitiatieven werden een succes. Of de gemeentelijke ondersteuning bijdroeg aan het succes, was afhankelijk van het type steun.

Geen euforie over kantelende samenleving

Het beeld is dus geheel anders dan Tonkens en Duyvendak ons voorschotelen. Geen zielige zzp-ers die door de overheid worden geleid of aangespoord, maar een rijke, diverse kracht aan burgerinitiatieven vanuit alle lagen van de bevolking van mensen die intrinsiek gemotiveerd zijn. Van heel formeel tot informeel, van professioneel tot amateuristisch, van heel klein tot heel groot, maar juist de diversiteit maakt het zo krachtig en ongrijpbaar.

Uiteraard speelt de overheid in deze initiatieven nog steeds een wezenlijke rol, dat kan ook niet anders, maar het initiatief komt vooral vanuit de burgers. Dit strookt ook met mijn ervaringswereld en de praktijk die ik op zoveel plaatsen aantref. Het academische tekentafelbeeld dat Tonkens en Duyvendak hebben van burgerinitiatieven verhoudt zich slecht met de alledaagse praktijk van deze initiatieven. Dat blijkt ook uit de reacties op hun artikel van burgers die betrokken zijn bij initiatieven en die zich geenszins herkennen in dit tekentafelbeeld.

Volgens Tonkens en Duyvendak zou ik eufoor zijn over de beweging van onderop en de kantelende samenleving. Dit beeld klopt niet. Ik wijs in mijn publicaties juist op de schaduwzijden van de nieuwe samenleving die aan het ontstaan is. De kans is groot dat een behoorlijke groep mensen niet mee kan met de snelle ontwikkeling en dreigt af te haken. Deze groep kwetsbare mensen is zelfredzaam noch samenredzaam. Er is dus een nieuwe vorm van solidariteit nodig om te voorkomen dat deze kwetsbare groep mensen buiten de boot valt. De samenleving 3.0 wordt ook niet per se beter of mooier, maar wel beter toegerust voor de eisen die de nieuwe tijd stelt. Als deze transitie lukt, komen we op een hoger complexiteitsniveau en op een hoger niveau in de evolutie, zoals bij eerdere grote transities (Grin, Rotmans, Schot, 2010).

Nieuwe maatschappelijke ordening is hard nodig

Ik zie kansen en mogelijkheden voor de beweging van onderop om een nieuwe macht te vormen en tot een nieuwe maatschappelijke ordening te komen. En dat is hard nodig, want de vorige ordening dateert nog grotendeels uit de 19de eeuw. Het is dus goed dat die maatschappelijke ordening wordt opgeschud. Ook UVA-collega van Tonkens en Duyvendak, Maarten Hajer, ziet die kansen voor de energieke samenleving (Hajer, 2011). Hij wijst erop dat dit een nieuwe sturingsfilosofie vraagt en een nieuwe rol en werkwijze van de overheid. Jos van der Lans en Pieter Hilhorst breken een lans voor de ‘do-it-ourselves’ beweging als uiting van de vitaliteit van de samenleving (Van der Lans en Hilhorst, 2013) en ook de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) ziet kansen voor het betrekken van burgers bij het actief vormgeven van de samenleving (Vertrouwen in Burgers, 2012). Dit terwijl de WRR nota bene, net als Tonkens en Duyvendak, niet vanuit de burger, maar vooral van bovenaf naar de burger kijkt.

De groeiende beweging van onderop is heterogeen, chaotisch en mist éénduidige richting. Alleen bottom-up is niet genoeg. Meer dan ooit is behoefte aan een overheid die als gids richting geeft aan de beweging van onderop door te faciliteren: richting geven en ruimte bieden (Rotmans, 2014). In veel gemeenten en ook binnen de rijksoverheid gebeurt dit faciliteren al en zijn innovatieve ambtenaren druk doende met “makelen en schakelen” tussen systeemwereld en leefwereld.

De verhouding tussen burgers en overheid is fundamenteel aan het veranderen (Raad van State, 2012). Enerzijds betreden steeds meer burgers als sociaal ondernemers het publieke domein. Anderzijds dichten overheden burgers een steeds meer zelf- en samenredzame rol toe onder de noemer van de ‘participatiesamenleving.’ Of we dit nu leuk vinden of niet, of we hier nu pessimistisch of optimistisch over zijn, het is de nieuwe werkelijkheid. En dit is geen typisch Nederlands fenomeen, we zien dit in veel landen van Europa. Onderzoek naar deze transitie vindt plaats in heel Europa, vooral participerend actie-onderzoek, waarbij participerende burgers geen passief object van empirisch onderzoek zijn, maar actief meedraaien in transitieprocessen. Zie voor een overzicht de website van DRIFT.

Uitnodiging om nieuwe wereld binnen te treden

Er zijn verschillende perspectieven mogelijk op burgerinitiatieven en op de kantelende samenleving. Of van bovenaf -vanuit de overheid die naar de burger kijkt- of van onderop -vanuit de burger die naar de overheid kijkt. Tonkens en Duyvendak bezien de kantelende samenleving vanuit hun ivoren toren, gekleurd door hun ideologische Groen Linkse achtergrond. Zij zien het vooral als een probleem, ik vooral als een kans. Ik nodig ze uit om uit hun ivoren toren te stappen en een nieuwe wereld binnen te stappen, die van de energieke burgerinitiatieven. Ze kunnen bijvoorbeeld een dag meelopen in Rotterdam, een stad die barst van de fraaie voorbeelden van burgerinitiatieven.

Jan Rotmans is hoogleraar Transitiekunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en oprichter van DRIFT, het wetenschappelijk onderzoeksinstituut naar transities.

 

Referenties
Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg (2014). Lokale kracht in ontwikkeling.

Denters, S.A.H., Bakker, J.M.H., Oude Vrielink, M.J., Boogers, M.J.G.J.A. (2013).Burgerinitiatieven in Overijssel, een inventarisatie, Universiteit Twente.

Grin, J. Grin, J., Rotmans, J. and Schot, J. (2010). Transitions towards sustainable development, KSI-book series part I, Routledge Publishers, UK.

Hajer, M. (2011). De energieke samenleving: op zoek naar een sturingsfilosofie voor een schone economie. PBL, Planburau voor de Leefomgeving, Den Haag.

De Moor, T. (2013). Homo Cooperans, instituties voor collectieve actie en de solidaire samenleving. Oratie, 30 augustus 2013, Universiteit Utrecht.

Raad van State (2012). Jaarverslag 2012. Overheidshandelen is ook rechtsvorming. Den Haag.

Rotmans, J. (2012). In het oog van de orkaan; Nederland in transitie. Uitgeverij Aeneas, Boxtel.

Rotmans, J. (2014). Verandering van Tijdperk: Nederland Kantelt. Uitgeverij Aeneas, Boxtel.

SCP (2014). Burgermacht op eigen kracht? Een brede verkenning van ontwikkelingen in burgerparticipatie. Van Houwelingen, P., Boelee, A., Dekker, P., rapport 2014-7, Den Haag.

Tonkens, E. en Duyvendak, J-W. (2015). Graag meer empirische en minder eufore kijk op burgerinitiatieven, Sociale Vraagstukken, januari 2015.

Van der Lans, J. en Hilhorst, P. (2013). Sociaal doe-het-zelven: de idealen en de politieke praktijk. Atlas Contact, Amsterdam.

WRR (2012). Vertrouwen in burgers. WRR-rapport nr. 88, Den Haag.