Dames en Heren, wij leven niet in een tijdperk van verandering maar in een verandering van tijdperk. Een zeldzame periode waarin de samenleving en economie ingrijpend en onomkeerbaar veranderen. Zo’n kantelperiode wordt gekenmerkt door chaos en onzekerheid. Er ontstaan spanningen en conflicten tussen degenen die mee willen veranderen (de nieuwe orde) en diegenen die het oude in stand willen houden (de oude orde). 
Deze Grote Transitie is in bepaalde opzichten vergelijkbaar met die in de tweede helft van de 19de eeuw, de periode van modernisering. In deze periode vonden drie fundamentele veranderingen plaats: (1) het tweede deel van de industriële revolutie; (2) de modernisering van de samenleving; en (3) de opkomst van een nieuwe middenklasse die de macht overnam van de adel. 
Ook nu is sprake van een drievoudige kanteling. Allereerst kantelt de samenleving van een centraal aangestuurde, top-down samenleving naar een decentrale, bottom-up samenleving. Langzaam maar zeker wordt de oude ordening, die nog grotendeels stamt uit de tweede helft van de negentiende eeuw, vervangen door een opkomende, nieuwe orde. De oude orde bestaat uit brancheorganisaties, belangenbehartigingsclubs, vakbonden en politieke partijen. De nieuwe orde bestaat uit ondernemende burgers, ZZP-ers, sociale en economische entrepreneurs. Zij organiseren zich op heel andere wijze, in gemeenschappen, coöperaties en sociale en fysieke netwerken. 
Zo is het aantal burgercoöperaties de afgelopen jaren explosief toegenomen op alle terreinen: zorg, onderwijs, energie, voedsel, sociale zekerheid, financiën, kunst & cultuur, etc. 
Wat drijft de nieuwe orde? Deels verzet tegen de koude, kille en weinig menselijke efficiencysamenleving die wij met zijn allen hebben gecreëerd. Deels zijn mensen teleurgesteld in de bureaucratische overheid en willen zij laten zien hoe het wel kan. En deels vanuit idealen op zoek naar een alternatief voor staat en markt die niet meer worden vertrouwd. Wat zij delen is de zoektocht naar nieuwe waarden: menselijke waarden als vertrouwen, tijd, kwaliteit, vrijheid, ruimte die steeds meer botsen met de systeemwaarden van de efficiencysamenleving: rendement, efficiency, effectiviteit, controle en kosten en baten. Deze waarden hebben ons ver gebracht en zijn lange tijd de afrekenwaarden geweest van maatschappelijke stelsels als zorg, welzijn, onderwijs en financiën. Maar inmiddels zijn deze stelsels verstard en zijn ze onderdeel van het probleem geworden. 
Tegelijkertijd verandert ook de economie structureel en van onderop. De nieuwe economie is mondiaal, maar opereert op een kleiner schaalniveau en wordt gedreven door disruptieve technologische doorbraken, zoals cloudtechnologie, big data, robotisering en de 3D-printer, maar ook schone energie, decentrale energieopslag en biochemie. Disruptief betekent dat deze innovaties en technologieën niet alleen de productiewijze veranderen, maar de hele productieketen, distributie en opslag. Dat betekent dat unieke productie op lokale schaal weer mogelijk wordt, een enorme uitdaging voor de maakindustrie nieuwe stijl. 
Het betekent echter vooral een democratisering van het productieproces. In de oude economie waren centrale organisaties nodig om producten te maken en diensten te leveren. 
In de nieuwe economie is dat niet meer nodig en kunnen producten en diensten worden ontwikkeld en geleverd in gemeenschappen op decentrale wijze. Bovendien is sprake van ontvlechting waardoor producten en diensten heel specifiek en op maat geleverd kunnen worden. Financiële diensten op maat kunnen al geleverd worden door entrepreneurs door ‘peer-to-peer’-leningen en -betalingen. Hetzelfde geldt voor diensten op maat voor onderwijs, onderzoek, energie, voedsel, zorg, enzovoorts. Toegang tot deze diensten op maat is dus niet langer kapitaalsintensief. Het impliceert in feite een machtsoverdracht van grote, centrale, bureaucratische organisaties en bedrijven naar netwerken van onderop, die bestaan uit mensen en gemeenschappen. Daardoor ontstaat een micromacht, een opkomende middenklasse die de kennis, expertise, netwerken en sociale media gebruikt om zo autonoom mogelijk te worden. 
In deze nieuwe, decentrale economie stromen informatie, kennis, muziek net zo rijk over het internet als aandelen, certificaten en digitaal geld. Er zijn inmiddels tal van voorbeelden van nieuwe, directe diensten die opereren zonder tussenkomst van een grote organisatie of groot bedrijf. Bovendien is de nieuwe economie slimmer en schoner en minder verspillend, omdat de vervuiling en verspilling steeds meer kosten met zich meebrengen. De nieuwe economie kent dus vele gezichten: een deeleconomie, een digitale economie, een makereconomie, een geautomatiseerde economie, een bio-economie, een groene economie en een circulaire economie. 
De politiek worstelt met deze transities en beroept zich erop dat zij bezig is met hervormingen: van de arbeidsmarkt, woningmarkt, energiemarkt, zorg en onderwijs. Het sociaal akkoord, het pensioenakkoord, het woonakkoord en het energieakkoord zijn daar uitingen van. Dit zijn echter vooral aanpassingen van de bestaande systemen en geen radicale systeemvernieuwingen. 
Binnen de bestaande kaders wordt gezocht naar verbeteringen, maar wel met dezelfde spelers binnen dezelfde verhoudingen. 

Zoals ik al zei is deze kantelperiode deels vergelijkbaar met de tweede helft van de 19de eeuw, de periode van de modernisering. Het is lastig om een scherp begin- en eindpunt te markeren, maar ik richt me hier op de periode tussen 1850 en 1900 vanuit een Noord-West Europees perspectief. In deze periode vond een drievoudige omwenteling plaats. Allereerst het tweede deel van de industriële revolutie, die draaide in essentie om staal, elektriciteit, de stoomturbine en de verbrandingsmotor. Dit maakte het mogelijk dat goederen uit grondstoffen niet langer ambachtelijk op kleine schaal werden gemaakt, maar in fabrieken op grote schaal. Er kwamen steeds meer fabrieken met stoommachines en de werkgelegenheid nam fors toe. Grote Nederlandse multinationals werden opgericht, zoals Philips en Shell, en de eerste coöperatieve banken, zoals de Boerenleenbank. Er ontstond ook een nieuwe arbeidersklasse die zichzelf moest beschermen tegen de slechte werkomstandigheden. Mensen zonder werk hadden geen uitkering en kinderarbeid was gewoon. 
Parallel aan deze economische revolutie verliep de modernisering van de samenleving. Tot die tijd was Nederland niet echt goed georganiseerd. Er was nog geen parlementaire democratie, geen kiesrecht en het ontbrak aan duidelijke sociale structuren. Zorg en onderwijs waren niet goed geregeld en de kwaliteit ervan liet te wensen over. De grondwetsherziening van 1848 vormde een revolutie op zich en legde de basis voor het huidige stelsel van parlementaire democratie. Kerk en staat werden definitief gescheiden en de macht van de koning werd ingeperkt. 
De Tweede Kamer kreeg meer invloed en er kwam direct kiesrecht, maar wel voor een selecte groep van 80.000 mannen (!), gebaseerd op het betalen van belasting. Pas in 1917 werd het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd en pas twee jaar later, in 1919, voor vrouwen.
Het was de periode van de grote maatschappelijke kwesties, de sociale-, onderwijs- en kiesrechtkwestie. Het oplossen van deze kwesties vroeg om een andere maatschappelijke ordening. De verzuiling deed zijn intrede eind negentiende eeuw, een ordening van de samenleving op basis van levensbeschouwing. Zo ontstonden protestants-christelijke, rooms-katholieke, socialistische en liberale zuilen. Deze zuilen kwamen tot uiting in scholen, verenigingen, partijen, vakbonden en ziekenhuizen. Deze verticale ordening op basis van zuilen zou stand houden tot ver in de twintigste eeuw. En zelfs nu zijn nog residuen aanwezig, zoals het omroepbestel.
De industriële revolutie bracht veel armoede en sociale misstanden met zich mee. Arbeiders trokken massaal naar de steden waar werkgelegenheid was in fabrieken en werkplaatsen. Er was echter lang niet voor iedereen werk. Veel arbeiders werden vervangen door machines en verloren hun baan. Daardoor konden fabrikanten lage lonen betalen en lange werkdagen eisen. Met als gevolg kinderarbeid, hongerlonen en massale werkloosheid. Bovendien leefden veel arbeiders onder erbarmelijke omstandigheden in veel te kleine huizen met te veel mensen en tierden epidemieën welig, mede door de slechte hygiëne. In een dergelijk armoedig en deplorabel arbeidsklimaat was het geen wonder dat arbeiders zich gingen organiseren in de vorm van vakbonden.

In diezelfde periode ontstond in Europa een nieuwe, rijke burgerklasse, de bourgeoisie. Deze bestond voornamelijk uit self made zakenmensen, industriëlen en beleggers die rijk werden door succes in de wereldwijde handel. Zij profiteerden optimaal van de economische groei en expansie als gevolg van de industriële revolutie. Deze nieuwe Europese middenklasse nam langzaam maar zeker de macht over van de adel. Macht werd niet langer bepaald door afkomst en de hoeveelheid land die men bezat, maar door zelf verworven status en de hoeveelheid geld die men kon investeren. 
De opkomst van de nieuwe middenklasse ging gepaard met nieuwe stromingen in de kunst. Overal in Europa ontstond een wederzijdse toenadering tussen kunst en industrie. Het post-impressionisme maakte opgang, waarbij verbeeldingskracht, emotie en kleurcontrasten centraal stonden en niet alles meer natuurgetrouw afgebeeld hoefde te worden. Van Gogh, Cézanne en Gauguin waren de belangrijkste vertegenwoordigers en zij effenden de weg voor de moderne kunst.
Het waren filosofen en kunstenaars die wezen op de schaduwzijde van de enorme groei en ontwikkeling die Europa onderging. Europa en de Verenigde Staten kwamen langzaam maar zeker in de greep van het kapitalisme, met zijn hang naar almaar meer groei, winst en vernieuwing. De filosofen Marx, Nietzsche en Engels hadden veel invloed op de tijdsgeest. Marx waarschuwde voor de uitwassen van het industrieel kapitalisme en de politieke ideologie van het liberalisme. 
Al met al was dit een revolutionaire periode, een grote maatschappelijke en economische omwenteling en parallel daaraan een machtswisseling. Het was bovenal een turbulente periode, vol onrust, conflicten, rellen, opstanden en dat decennialang. 
De dreiging hing voortdurend in de lucht, velen hadden een unheimisch gevoel. Tegelijkertijd was er ook een groot vooruitgangsgeloof, want er werd enorme progressie geboekt op tal van terreinen. Alleen was er nog niet echt een wenkend perspectief. De permanente maatschappelijke onrust vormde een bron van inspiratie voor kunstenaars en filosofen. Dit leidde tot een hausse aan nieuwe stromingen in de schilderkunst, de beeldende kunst, de literatuur en de wetenschap. Filosofen en kunstenaars waren de seismografen van de tijdsgeest, zij poogden beelden en woorden te geven aan het nieuwe tijdperk dat zij voorzagen en stapten als eerste een nieuw tijdperk binnen.

Als mijn hypothese klopt dat we een nieuw tijdperk binnentreden, dan gaan kunstenaars en creatievelingen opnieuw de voorhoede vormen van een nieuwe orde. Een nieuwe orde die de nieuwe samenleving en economie vormgeeft. Die de onrustige, turbulente en chaotische overgangsperiode kan duiden. Veel mensen zijn bang, er zit veel angst in de samenleving, weinigen hebben inzicht, nog minder hebben overzicht. Er is dan ook grote behoefte aan duiding van dit verandering van tijdperk op artistieke wijze: in woord, beeld en geluid. 
Dat vraagt om maatschappelijk leiderschap van de creatieve sector. Vanuit een nieuw soort engagement. Waar politici onmachtig zijn en CEO’s kortzchtig, wordt meer dan ooit en net als toen creatief en artistiek leiderschap gevraagd.
Ik wil de creatieve sector dan ook uitdagen om dat leiderschap op te pakken. Dat kan op verschillende wijzen. Dat kan in de vorm van ‘framing’ en opinievorming, door de kantelende tijdsgeest te duiden op artistieke en creatieve wijze. 
Dat kan ook in de vorm van creatief activisme, waarbij kunstvormen worden ontwikkeld die gericht zijn op het vergroten van de maatschappelijke impact. Wat Daan Roosegaarde doet komt al enigszins in de richting, maar gaat wat mij betreft nog lang niet ver genoeg. De Willem de Kooning Academie in Rotterdam start dit jaar een minor op het gebied van ‘creative activism’. 
Het kan ook via maatschappelijk geëngageerde kunstvormen, waarbij bruggen worden geslagen tussen het bedrijfsleven, wetenschap, onderwijs, kunst en publiek. Wat de toneelgroep Wunderbaum doet met de theaterproductie The New Forest is een mooi voorbeeld van transitietheater op zoek naar de nieuwe samenleving. Ik merkte bij een gastcollege aan de theaterschool in Amsterdam dat jonge kunstenaars weer volop bezig zijn met hun rol en identiteit in de snel veranderende samenleving. 
Dat brengt mij tot slot bij transitiekunst, nieuwe vormen van kunst die multi-en interdisciplinair zijn en integraal van aard. In de moderne muziek vind ik Arcade Fire wel een goed voorbeeld van een mengsel van verschillende muziekstijlen die de muziek ongrijpbaar maken. Ik heb een paar jonge popmusici opdracht gegeven om transitiemuziek te componeren en daar een voorstelling voor te ontwikkelen. Onder leiding van Ivo Schot heeft dat tot een fraaie demo geleid, die zelfs de belangstelling wekte van Paradiso en festivals. Dus dat wordt vervolgd.
Kortom, ik wil de artistieke en creatieve sector uitdagen om leiderschap te tonen in tijden van transitie. U kunt een nieuwe orde en dus nieuwe macht vormen, net als destijds in de 19de eeuw. Er ligt een nieuwe wereld voor u open! Ik wens u een goed, inspirerend en succesvol kanteljaar toe!